Tentoonstellingen, Uitgelicht

Een museum moet anders durven te zijn

foto-Paulie-slot-klein
Gepubliceerd: 11 januari 2017 om 13:12   /   door

 Tien tips voor musea

Schrijvers zitten veel binnen, en dat geldt ook voor Pauline Slot. Maar als ze eropuit gaat, dan is dat vaak naar een museum. Vanaf haar dertiende is ze gegrepen door musea. Ze bezoekt ze in binnen- en buitenland. Na zes romans heeft ze een bijzonder boek geschreven over haar liefde voor musea, maar ook over de ergernissen tijdens haar bezoeken. Voor dit gesprek spreken we af in het café van het Museum voor Volkenkunde in Leiden. Ze komt er graag. We praten over blockbusters, over de essentie van musea en over wat er moet veranderen, haar nachtmerrie is NEMO in Amsterdam. Aan het slot geeft ze tien tips voor musea, durf anders te zijn.

Je schreef een boek met de titel Museumbezoeking. Wat was de aanleiding om dit boek te schrijven?

De aanleiding was een bezoek aan Londen om er de David Hockney-tentoonstelling te zien. Ik ben gek op Hockney, maar eenmaal daar dacht ik: “wat doe ik in deze mensenzee?” Dat gebeurt me vaker, en mij niet alleen. Je wordt tegenwoordig haast gedwongen om te kiezen: je gaat voor de topstukken en dan ben je met half Nederland, of je kiest voor de subtop, maar dan heb je wel een plezierige ervaring.

Voor mij is een museum een plek waar we het mooie en belangwekkende bewaren. En dat is een heerlijk contrast met de chaotische, rommelige en onvolmaakte buitenwereld. Musea bewaren het mooie en het goede, dat is wat ik graag wil ervaren. Hier in het Museum Volkenkunde voel je dat overal, zelfs in het restaurant: de aandacht voor schoonheid. Maar als iedereen, zoals bij de expositie van Hockney, als een kudde bizons door de zalen dendert, dan ervaar je geen schoonheid meer.

In de titel van je boek Museumbezoeking klinkt liefde en kritiek door. Hoe heeft de museumwereld op je boek gereageerd?

Geen idee! Ik ben een bezoeker, kom niet op congressen van deskundigen. Wel ben ik recent door twee musea uitgenodigd om het eerste exemplaar van boeken van anderen in ontvangst te nemen. Een van die boeken is geschreven door Karel Schampers, oud-directeur van het Frans Hals Museum. Het heet ‘De museale snelweg af’, een prachtig boek over onbekende musea in België en Noord-Frankrijk. Ik had gelijk zin om vakantie te nemen en al die musea te bezoeken! Daar zie je dat het toch kan: in rust topcollecties zien.

Waarom is een museum zo interessant voor jou?

Dat gaat terug naar mijn jeugd. Een museum was een deur naar een andere wereld: er viel zoveel te ontdekken. Inmiddels heb ik natuurlijk heel veel gezien. Maar het ontdekken is ook om andere redenen minder belangrijk geworden. Musea willen nu vooral blockbusters maken, en dat soort grote tentoonstellingen openen vaak deuren naar werelden die je al kent. Denk aan de Rembrandt-tentoonstelling: geweldig om die prachtige schilderijen samen te brengen, maar een echte ontdekking, nee. Natuurlijk hou ik ook van het feest der herkenning. Sommige kunstwerken wil ik steeds weer zien, maar nogal wat schilderijen worden grijsgedraaid, als golden oldies, omdat ze lekker in het gehoor liggen. Ontdekken impliceert overigens ook dat je het gevoel hebt dat jij de enige bent. Dat gaat niet samen met honderd mensen voor één schilderij.

Welk museum springt er voor jou uit?

Het Kröller-Müller Museum is fantastisch. Zelfs nu nog zijn er tijdstippen dat je daar heel rustig kunt ronddwalen. Als je in de winter komt, dan kan dat prima. Het gebouw is goed, de collectie is geweldig, het ligt er prachtig. Alleen hebben ze een vreselijke kantine. Hij is krap en kil. Dat je met zo’n dienblad langs de balie moet schuifelen, voelt niet gastvrij.

Bezoek je ook de kleinere musea?

Lang wilde ik vooral dé grote musea zien. Ik heb in mijn twintiger jaren het Louvre helemaal uitgekamd en ook de musea in Florence en veel andere grote steden. Je begint met de hoogtepunten van de kunstgeschiedenis, maar die ken ik nu wel. Ik was laatst in ‘Het Depot’ in Wageningen, een particulier museum met beeldhouwwerk. Een prettig gebouw met een mooi terras en een aardige collectie. Een prima plek om twee heerlijke uren door te brengen.

Je boek gaat niet alleen over je liefde voor musea, je beschrijft ook je ergernissen. Wat zou je willen veranderen in de museumwereld?

Echt iets veranderen ligt buiten mijn macht. Als bezoeker kan ik wel andere keuzes maken en dat doe ik ook. Ik liet me verleiden om naar de tentoonstelling over Van Gogh en Munch te gaan, maar zodra ik er was had ik spijt, het was er zo krankjorum druk. Voor mij geen blockbusters meer, ik heb de tentoonstellingen over Rembrandt en Jeroen Bosch dan ook overgeslagen.

Een museum moet anders durven zijn. De buitenwereld is vol lawaai en prikkels. Een museum moet de stilte durven zoeken, om rustige aandacht vragen. Je kunt een museum vergelijken met een zwembad. Je mag best een paar glijbanen hebben of een klein waterpretparkje. Maar het is ook fijn als je gewoon meditatief je baantjes kunt zwemmen. Die balans moet je als museum bewaken. Waar musea echt de mist mee ingaan is dat ze hun exposanten vaak niet betalen. Een vriendin van mij heeft laatst haar werk in een museum geëxposeerd. Ze was er weken mee bezig, maar kreeg geen honorarium. Voor haar zondagmiddaglezingen ontving ze 25 euro; de reiskosten zaten daar ook nog eens in. De baliemedewerker krijgt dus betaald, de kunstenaar die de zalen vult niet. Dat klopt niet.

Hoort de behoefte aan rust bij het ouder worden?

Welnee, in tegendeel! Vanaf mijn eerste museumbezoek als kind was ik juist getroffen door de sfeer in musea, die zo anders was dan buiten. Dat het er stil was. Dat er spotjes gericht waren op geheimzinnige voorwerpen. Mijn nachtmerrie is Nemo in Amsterdam. Ik weet wel, het is niet voor mij. Kinderen vinden het prachtig. Maar ik heb er tijdens mijn bezoek veel andere bezoekers geobserveerd en het viel me op hoeveel kinderen er boven hun theewater raken. Ze rennen rond en drukken gewoon maar wat op knoppen, maar ze ervaren niets. Ja, onrust. Het lijkt allemaal interactief te zijn, maar dat is slechts schijn. Er is daar een groot apparaat waar je wat over genetica kunt leren. Je moet in een bepaalde volgorde knoppen indrukken, maar geen kind doet dat. Het is goed bedoeld, maar het komt niet over. Pas als er iemand bij komt staan en uitleg geeft, dan zie je dat het werkt.

Kun je wel iets leren in een museum?

Ja, maar heel beperkt. In een museum kun je voorwerpen zien uit de Romeinse Tijd, maar als je echt wilt weten hoe de Romeinen leefden, kun je beter een boek lezen. Dat je veel kunt leren in een museum, daar geloof ik niet zo in. De kerncompetentie van een museum is dat we er in de nabijheid verkeren van unieke voorwerpen, voorwerpen die we nooit zelf in huis zouden kunnen halen, die van ons allemaal zijn.

Wat is voor jou het verschil tussen een museum en een boek?

Als we lezen wordt onze geest in een tunnel gedwongen. Het gekrakeel in je hoofd houdt even op, en je kunt zo een lange gedachtelijn volgen. In een museum is dat moeilijker: we kijken wat, we lezen wat, we lopen wat, we praten wat, we kijken wat naar andere mensen. Er zijn veel meer prikkels. Een heel andere ervaring dus, veel minder lineair, zelfs als we braaf de route volgen.

Je zei net dat musea voor het mooie en het goede zijn. Ga je dus niet naar een tentoonstelling over het slavernijverleden?

Jawel. Want hierover een tentoonstelling maken is ook pogen het goede te doen. Een expositie over barbarij waar we samen naar kunnen kijken en over reflecteren, maakt het mogelijk om boven onze donkere kant uit te stijgen. Het museum van Buchenwald is voor mij bijvoorbeeld een teken van hoop, hoe gruwelijk de geschiedenis ook is die daar getoond wordt. We gedenken er, en denken na. Maar ik zal niet naar het Martelmuseum in Amsterdam gaan. Daar ga je heen om te griezelen, dat heeft niets te maken met wat voor mij een museum is.

Je hebt je geërgerd aan de blingbling foto’s voor de museumnacht in Amsterdam van vorig jaar.

Toegankelijk maken vind ik heel mooi. Maar de vraag is, wat wil je er allemaal voor doen. Op de affiche voor de Museumnacht stond een bijna naakte vrouw, een gefotoshopt ideaalmodel dat zo in een glamourblad had kunnen staan. Jongeren komen nu feesten in het museum, maar ze zien niet wat een museum is. Prima dat je je museum voor zoveel mogelijk mensen wilt openstellen, maar bewaak je kernwaarden.

Waar ik me ook aan erger, is de winkel van het Van Gogh Museum. Het is potsierlijk wat ze daar verkopen. Dat je er hondenriemen en jakjes voor honden met de irissen van Vincent van Gogh kunt kopen, vind ik smakeloos. Zo verkwansel je je visueel kapitaal.

Tot slot, wat is voor jou het unieke van musea?

Dat je er niets hoeft te kopen, dat de markt er niet regeert. Het niet-commerciële is een van de kernwaarden. Een museum moet dus niet bang zijn om stil te zijn. Niet alles hoeft te scoren. Een museum moet geen winkel worden, geen meubelboulevard op tweede paasdag. Ik weet ook wel dat de overheid de musea prest om meer inkomsten te genereren. Maar verkoop je ziel niet.

 

Tien tips:

In haar boek geeft Pauline Slot haar wensenlijstje met tien punten voor musea. Hier een korte samenvatting.

  1. Wees een vrijplaats.

Een museum moet in de wereld staan, maar niet te veel van de wereld worden. Voldoe niet aan elke vraag, beweeg niet met alles mee.

  1. Smijt geld over de balk.

De overheid moet ruimhartig zijn als het om cultuur en om musea gaat. Geen rendementsdenken.

  1. Zet het gebouw op zijn plaats.

Zet niet al je troeven op een spectaculair gebouw. Je hebt behalve een ruimte ook een collectie nodig en creativiteit en een goede staf die ook betaald wordt.

  1. Verlaag de drempel, maar verlaag jezelf niet.

Maak het museum toegankelijk voor zoveel mogelijk mensen, maar zonder je te verlagen tot platvloersheid.

  1. Geniet, maar reproduceer met mate.

Reproduceer je unieke werken op een kaart, in een boek en als poster. Verkoop in je museumwinkel wat smaakvolle hebbedingetjes, maar verkoop niet je ziel.

  1. Wees geen aandachtsjunk.

Grote tentoonstellingen met grote namen moeten er ook zijn. Maar overdrijf het niet. Voor je het weet moet het steeds groter met steeds meer bezoekers, anders heb je als museum gefaald.

  1. Durf het woord te nemen.

Musea gaan tegenwoordig ver in hun streven om ons bezoekers ook aan het woord te laten. Het gevolg is dat elke bijdrage van gelijke waarde lijkt, maar dat is niet zo.

  1. Ga voor endorfine.

Een museum is geen achtbaan. Een museum is voor binnenpret, voor het rustig laten oplichten van het beloningscentrum.

  1. Doe niet zo populair.

Toegankelijk maken is niet hetzelfde als mensen onder valse voorwendselen lokken. Breng een waardevol onderwerp serieus, wat niet hetzelfde is als saai.

  1. Vertrouw op de kracht van echt.

Musea bieden steeds meer dingen aan die we thuis veel beter hebben: touchscreens met informatie, spelletjes waar je wat van kunt leren. Dat is een niet te winnen wedstrijd. Musea moeten vertrouwen op hun eigen kracht: unieke voorwerpen, een ruimtelijke ervaring en sociaal verkeer in een publieke ruimte van de beste soort.

 

Besproken boeken:

  • Pauline Slot: Museumbezoeking, waarom wij naar musea gaan. Arbeiderspers.
  • Karel Schampers: De museale snelweg af; België & Noord-Frankrijk, Waanders Uitgevers.

Interview: Franklin van der Pols

Foto: Pauline Slot (c: Koos Breukel/De Arbeiderspers)