Columns

Museum De Zwarte Tulp

Museum De Zwarte Tulp 17-01-101
Gepubliceerd: 2 februari 2017 om 10:02   /   door

Ik ben een geboren en getogen Lisser, ook al woon ik sinds mijn twee-en-twintigste in Amsterdam.  Geboren in januari 1945 als het vijfde kind van een kleine bollenkweker die vlak na WO-II door economische omstandigheden gedwongen was om zijn bedrijf op te doeken. Voor zijn levensonderhoud en dat van zijn grote gezin was mijn vader daarna genoodzaakt als landarbeider te gaan werken bij de grote bollenkweker Grullemans. Zoals dat toen nog gebruikelijk was heeft hij decennia later bij diezelfde baas zijn pensioen gehaald. In mijn jeugdjaren heb ik, zoals vele andere leeftijdsgenoten, tijdens de zomervakanties in die bloembollen gewerkt om zodoende wat bij te dragen aan het karige arbeidersinkomen van mijn vader, dat deels ook nog in natura werd uitbetaald. Door het aan de arbeiders in gebruik geven van tijdelijk braakliggende bollenvelden, die als moestuintjes werden gebruikt en door de levering van een aantal mud aardappelen uit de Noord (noorden van Noord-Holland).

Ondanks die voor mijn ouders zware en armoedige tijd heb ik nooit gevoelens van afkeer gevoeld voor de bollenstreek en de bloembollencultuur. Integendeel, ik ben zelfs een beetje trots op Lisse met de Keukenhof, het kasteel Keukenhof, het Huys Dever en sinds 1985 een heus bollenmuseum. Terwijl ik de eerste bezienswaardigheden sinds mijn vertrek uit Lisse verschillende keren bezocht heb en mijn twee nog in Lisse wonende zussen het “Museum De Zwarte Tulp” echt de moeite waard vonden, kwam, alsof ik er tegenop zag, het een lange tijd steeds niet van een bezoek. Het zal pas in de loop van 2013 geweest zijn dat ik eindelijk, samen met mijn jongste zus, dat museum aan het Vierkant (hartje Lisse) binnenliep.

Hoewel ik over die eerste keer best wat vraagtekens had bij een aantal collecties, vond ik het een leuk museum, met een mooie tuin en een boeiende bovenverdieping met veel historisch bollengereedschap, werktuigen, machines, foto’s en films; van werkende bollenarbeiders, de architectuur van oude bollenschuren en het wetenschappelijk onderzoek van de bollenteelt. Ik vond er o.a. diverse soorten troffels voor het rooien, een prachtige klassieke bollensorteermachine en zo’n onhandig grote hutkoffer voor de bollenreizigers op Amerika, Engeland of waar ook ter wereld. Ook werd ik geroerd door de collectie van D.W. Lefeber, een grootheid in de bollenwereld door o.a. zijn inspanningen voor de veredeling van bloembollen. Bij diens zoon Alfons heb ik in mijn jonge jaren nog met veel plezier gewerkt.  Nou ja, ik was 12 jaar en vond het varen met een langs zijn bollenvelden afgemeerd bootje interessanter dan het schoffelen.

Waar het in een goed museum altijd om zou moeten gaan is, dat je een zekere emotionele betrokkenheid voelt, dat je herinnering “getriggerd ” wordt door de spannende wijze van presentatie, de inrichting en een aansprekend gebouw. Het bollenmuseum “De Zwarte Tulp” voldeed daar toen aan.

Van mijn jongste zuster hoorde ik kortgeleden dat “De Zwarte Tulp” grondig verbouwd was met een zeer ruime, zogenaamd eigentijdse benedenverdieping met uitgebreide winkel, koffie- en theerestaurant, een werktheater, en een ruimte als trouwlocatie of voor recepties, feesten, brainstormsessies, lunches, diners, verjaardagen, kinderpartijtjes, lezingen, workshops en presentaties. Allemaal prima, zo’n partycentrum en een geliefkoosd verdienmodel voor een particulier te financieren instelling, zolang je voor het feitelijke museum maar voldoende ruimte overhoudt en daar je echte passie in kan onderbrengen.

Ik ben er na die verbouwing en op aanraden van mijn zus nog eens binnengegaan. Samen met oude vrienden uit Lisse die het museum op zich een warm hart toedragen. Na mijn jas te hebben opgehangen schrok ik een beetje van die in de hal getoonde lange lijst van jaarlijks bijdragende financiers uit Lisse en omstreken. Zijn zij de dragers van 500 jaar bollencultuur met liefde voor de geschiedenis of een gezelschap van min of meer welgestelde burgers en een kring lokaal aan de weg timmerende bedrijven en instanties die hun onsterfelijkheid inkopen met een jaarlijks fiscaal aftrekbare “culturele” donatie.  Ik ken het fenomeen van zo’n lijst van geldschieters bij de entrée van de schitterende, wereldvermaarde museumtuinen van Claude Monet in Giverny, halverwege tussen Parijs en Rouen. Maar hier vind ik de opzichtige lijst van kleine “filantropen” bijna gênant, een klein museum onwaardig.

Ben je daarna stoutmoedig genoeg om aan de balie je museumkaart te laten zien, dan tref je een keurig verbouwde ruimte aan waar veel van de genoemde niet-museale functies zeker op hun plaats zullen vallen. Daar is op zich weinig bezwaar tegen zolang het echte museum de hoofdmoot van het gebeuren uitmaakt, met voldoende aandacht voor bezieling en reflectie. Welnu, daaraan ontbreekt het wat. Allereerst de twee vitrines, volgestouwd met lelijke bloembollenglazen van een Zwitserse mevrouw die Marianne heet. Ik dacht gelijk, die heeft de voorwerpen van haar monomane verzameldrift dankbaar kunnen plaatsen na een forse donatie aan de Zwarte Tulp, maar misschien vergis ik me.

Mijn ergernis over die bollenglazen is tot daaraantoe als de rest en vooral de bovenverdieping maar met overtuiging overeind is gebleven. Helaas, daar begint pas de echte ellende. In plaats van dat avontuurlijke, swingende museumgedeelte op de bovenverdieping heeft men bedacht er een, in een lange baan uitgevoerde, steriele tijdlijn van te maken. Met aan de rechterzijde het verhaal van het bollenwerk, de gebruikte gereedschappen en werktuigen en aan de linkerkant een serie kijkdozen met beelden uit de geschiedenis van de bollencultuur. Een emotieloze parade van objecten die je na het verlaten van dit museum ogenblikkelijk weer vergeten ben, maar gelukkig zijn er de terrassen op hetzelfde, nu aangenamer Vierkant, in het centrum van Lisse.

 

Bik Versteegen (Nr 14)

Museum De Zwarte Tulp

foto: Museum De Zwarte Tulp (©: Michiel Neugebauer)

Bik Versteegen (1945) is schrijver en cultureel antropoloog. Hij begon op latere leeftijd verhalen te schrijven, inmiddels zijn vier bundels uitgegeven. Op verzoek van Museumpeil bezoekt hij musea. Zijn stijl wordt gekenmerkt door een mix van observaties en herinneringen.

Michiel Neugebauer (Gouda, 1967) is stedelijk en industrieel fotograaf met oog voor detail. Hij speelt met het aanwezige licht met als resultaat een mooie natuurlijke lichtval.

‘William Morris, Patronen van Bloemen’ in Museum De Zwarte Tulp.

Bezoek het Museum De Zwarte Tulp en oordeel zelf. Dit voorjaar staan de bloempatronen van William Morris (1834 – 1896) centraal in Museum De Zwarte Tulp. Morris’ ontwerpen kenmerken zich door een overvloed aan bloemen, repeterende patronen en intens kleurgebruik. De Morris & Co. behangsels en stoffen – ooit met de hand gedrukt maar nu machinaal – worden nog steeds, ruim honderd jaar later, geproduceerd en wereldwijd verkocht. De tentoonstelling loopt vanaf 17 maart tot en met 6 augustus 2017.